Nagelaten Documenten

Marie Bonaparte is niet alleen ten strijde getrokken tegen haar eigen problemen, zij heeft ook een veldtocht gevoerd tegen de vergetelheid. Zij deed dat door zelf bij leven haar jeugdherinneringen te publiceren (Marie Bonaparte,  A la mémoire des disparus 1958, zie lijst gebruikte literatuur), maar ook door haar brieven en handschriften, haar dagboek, het dagboek van de analyse, haar dromenboek, in verschillende archieven te deponeren, voorzien van instructies omtrent het gebruik. Als een keizer die troepen naar vier windstreken stuurt, met een briefing voor alle eventualiteiten. Zelfs als je de beschrijving simpel houdt en alleen hoofdzaken vermeldt, heeft het plaatje iets kolderieks.

Het patroon is geven en nemen, de deuren sluiten maar een enkele op een kier zetten, en vooral de regie houden. Terwijl Marie enerzijds met een overdaad aan materiaal haar biografen tegemoetkomt, maakt zij het hen anderzijds lastig door de stukken naar oost en west te doen uitgaan en bovendien niet-eensluidende instructies te geven over de toegankelijkheid. Want er rust op de papieren in Washington in principe een embargo tot 2020, op die in Parijs (BNF) tot 2030. De toekomstige biograaf kan dus pas in 2030 beginnen alle materiaal voor de ultieme biografie Marie Bonaparte te overzien.

De basisbiografie blijft Célia Bertin, La dernière Bonaparte, Parijs 1982 en latere drukken. Echter, de wijze waarop Bertin gebruik maakte van de persoonlijke stukken van Marie, kostte haar de sympathie van de familie, met name van de kleindochter, en een proces dat verschijnen van het boek moest voorkomen. Het familiearchief is sindsdien voor onderzoekers gesloten. De zaak is nog iets ingewikkelder;zie Roudinesco, Présentation in: Bertin editie 2010, VII, en kritische nuances bij Amouroux 2008 (L’univers, 26-39)  die ‘L’incroyable destin des archives de Marie Bonaparte’ uitvoerig beschrijft.

hoofdzaken

Bibliothèque Nationale de France

De collectie in de Bibliothèque Nationale de France te Parijs is vooral gecentreerd rond haar verleden in het algemeen: er liggen stukken van haar vader Roland Bonaparte en diens moeder (Maries grootmoeder prinses Pierre Bonaparte), en ook de eigen levensherinneringen van Marie, bijvoorbeeld het typoscript van de twee nog niet verschenen delen van de autobiografie (Les orages de Cythère en Les ombres du soir, waarvoor de toekomstige uitgever gehouden is aan de limiet van 2050); voorts de algemene correspondentie (86 dozen: hier net als in Washington – zie onder 2 – Aristide Briand, verder o.a. Gustave le Bon, haar zoon Pierre). Daarnaast vele agenda’s, adressenboekjes en financiële overzichten.

Het geheel dat thans in de BNF wordt bewaard, was overigens in 1960 zonder succes door Marie aangeboden aan het British Museum. (Bertin 1982, 419, Amouroux 2008, 35)

Library of Congres in Washington

Haar archief-psychoanalyse ligt in de Library of Congres in Washington als onderdeel van de Freud Archives; het is daar op last van Marie door Anna Freud gedeponeerd, en wel in 1964. De twaalf meter bevatten onder andere haar dagboek, 250 brieven van en aan Aristide Briand met wie zij zes jaar een verhouding had, en ongeveer 600 brieven van Freud aan Marie Bonaparte met haar antwoorden. De ingekorte catalogus is on line raadpleegbaar. Dat Marie oog had voor collectievorming (van in dit geval de archieven-Freud), leert haar brief aan de weduwe van Romain Rolland: toen zij in 1959 haar correspondentie met de schrijver retourneerde, maakte zij Mevrouw Rolland erop attent dat deze er goed aan zou doen de correspondentie van haar man met Freud te deponeren in de LOC. ( brief in BNF).

De familie

Daarnaast beheert de familie in de persoon van Maries kleindochter prinses Tatiana Radziwill, Madame Fruchaud een persoonlijk archief dat behalve een gewoon dagboek een dagboek van haar analyse bevat, en vele andere autobiografische aantekeningen.

Archives Nationales in Parijs

Dan liggen er stukken in de Archives Nationales in Parijs (bijvoorbeeld de correspondentie met secretaresse Annette Berman en typoscripten van artikelen) en eveneens in Parijs, in de archieven van het Institut Curie (de correspondentie met Claudius Regaud) en van het Institut Pasteur (de briefwisseling met Antoine Lacassagne).

Freud Museum in Londen

Het Freud Museum in Londen bezit een aantal apografen van Marie van haar eigen brieven aan Freud, waaronder een op dit moment uniek schrijven; het is de brief die zij Freud schreef bij gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag. In Londen liggen ook, en dat in de categorie unregistered letters, brieven van Martin Freud aan Marie. Deze handelen vooral over de uitgave van Topsy bij Allert de Lange in Amsterdam (de Duitse vertaling gemaakt door Anna Freud en Sigmund Freud).

John Rodker – Austin, Texas

In Austin, Texas bevindt zich het archief van John Rodker die in 1939 Imago Publishing Company  oprichtte met het doel werk van de naar Londen uitgeweken Freud uit te geven. Dit archief is in de zomer van 2009 voor het eerst en dus voorlopig geïnventariseerd (Amouroux 2008, l’univers).

Complicaties

Alsof het zo nog niet mooi genoeg is, heeft Marie zelf van sommige papieren kopieën gemaakt en die bij leven al ter hand gesteld aan derden, waardoor ze gingen circuleren. Een bekend voorbeeld is het uittreksel uit haar analysedagboek dat zij aan Ernest Jones, de biograaf van Freud gaf. Andere kopieën bleven in bibliotheken; zo bezitten zowel Washington als Parijs een manuscript van haar levensherinneringen; beschikbaar in respectievelijk 2020 en 2030!

Onbekend

En veel ligt nog in het duister: de brieven aan Loewenstein en Ruth Mack zijn nog niet boven water; in Tel Aviv moeten een groot aantal brieven aan Eitingon liggen.Toevallig onderzoek in Amsterdam bracht het een en ander aan het licht; de KB in Kopenhagen berichtte meer dan 50 foto’s te bezitten van Marie, Georges, hun gezin en familieleden.

Zowel in Washington als in Parijs raakten sommige stukken in de afgelopen decennia vrij van het embargo (dat tien, twintig, dertig jaar had gegolden). Hierdoor beschikken wij over stukken die Bertin nooit heeft kunnen zien en die belangrijke mensen en situaties uit het leven van Marie naderbij brengen. Opgeteld gaat het om een paar honderd brieven van verschillende vrienden en collegae uit de Weense jaren die tijdig uitweken naar de VS; onder andere brieven van Max Schur, de medicus van Marie en van Freud, en van Maries collegae Hans en Jeanne Lampl- de Groot die vanaf 1938 in de Haringvlietstraat in Amsterdam woonden. Deze laatste documenten geven voor het eerst enig zicht op de relatie van de prinses met de Nederlandse psychoanalyse van de jaren vlak voor en na WO II. Uit Washington kwamen naast de brieven van dokter Schur en van het echtpaar Lampl ook tientallen brieven vrij van de Amerikaanse psychiater Ruth Mack-Brunswick, goede vriendin van Marie, en van Rudolph Loewenstein haar geliefde, tevens mede-fundator van de Franse psychoanalyse.


Amouroux, Rémy, L’univers scientifique et intellectuel des premiers psychanalystes français. Marie Bonaparte entre littérature, biologie et freudisme. Thèse EHESS Paris,  décembre 2008.

Roudinesco, Elisabeth, Histoire de la psychanalyse en France,1 et 2 1986 (1982)